
Zondag 31 juli.
Om kwart over 8 op weg naar Rome.
Eerst min of meer in het dal van de Tevere, dat is de rivier die ook door Rome stroomt, maar nogal een omweg maakt om daar te komen.
Bij Borghetto heb ik daarom het dal verlaten en door de heuvels op en af. Kort na Civita Castellana zag ik boven op een heuvel de heel veld vol staan met zonnecelen.
In de afdaling naar een van de riviertjes die ik moest oversteken, de Fosso Della Mola, stond rechts van de weg een hele wei vol met witte koeien met mooie naar buiten gedraaide horens.


Je komt steeds mooie bergstadjes tegen, die tegen de hellingen aan bebouwd zijn, zoals Sacrofano.
Even verder in de berm van een zijweggetje in de schaduw van een olijfboom mijn twee laatste sneetjes brood opgegeten en het pakje melk opgemaakt.
Om half 2 reed ik de eerste voorstad van Rome binnen en verder omlaag naar de Tiber (Tevere in het Italiaans).
Langs de Tiber moest een fiets- en skatepad zijn, maar het begin was even moeilijk te vinden. Ik zat al haast op de snelweg. Omdraaien dus en tegen het verkeer in terug naar de juiste afslag. Van kwart voor 2 tot kwart voor 3 een uur lang dat fiets- en skatepad gevolgd. Af en toe kwam ik andere fietsers tegen, maar ook veel hardlopers en enkele skaters.
Alleen de kruisingen met een enkele weg of spoorlijn deden aan de keuteberg denken: een echte duik omlaag, onder de weg of het spoor door, en andere kant weer bloedsteil omhoog.
Van het Vaticaan naar de Via Aurelia bleek nog een behoorlijke klim van in totaal zo’n 70 meter, maar om kwart over 3 had ik de receptie van de B&B gevonden.
