Maandag 1 augustus.
De ontbijtbon in nabij gelegen kroeg heb ik gelaten voor wat die was, en zelf een bak müsli gemaakt.
Toch was het kwart voor 8 voor ik op weg was. Rome uit zien te raken is een vermoeiende bezigheid. Ze zeggen wel dat Rome op 7 heuvels is gebouwd, maar dan zijn ze er toch echt een paar vergeten. Het gaat steeds pittig op en af, en op ieder kruispunt een stoplicht.
Het duurde dan ook een half uur voor ik de laatste huizen achter me had gelaten.


Daarna eerst op en af maar daarna langzaam oplopend naar het Lago Di Bracciano.

Aan de noordkant van het meer eerst maar een rustpuze voor de klim naar het binnenland dat toch ongeveer 200 meter hoger ligt.
Daarna omlaag naar Sutri, waar ik 3 jaar geleden heb overnacht.
Tot Capranica is het nog vrij vlak, maar dan begint de klim naar het kratermeer Lago Di Vico. De meeroever ligt op 520 meter, maar je moet de kraterrand over en die is in het zuiden 620 meter en in het noorden waar ik het meer verliet zelfs bijna 750 meter hoog.

Kort nadat ik over de rand van de krater was gekomen, was er een hele grote pcknickplaats met kiosk zelfs, hoewel er verder niets te doen was.
Daar heb ik nog een pauze gehouden en bekeken wat ik deze dag nog kan doen. In de afdaling van de berg kom ik door een klein plaatsje, San Martino Al Cimino. Eens kijken of ik daar wat kan vinden.



In San Martino Al Cimino even gevraagd en ik bllek op een paar huizen van een B&B te staan.
Daar was plaats. De winkel ging pas weer om 5 uur open. Even rondgekeken en dan boodschappen doen.
’s Avonds de route voor de volgende dag aangepast, zodat ik toch zoals gepland Montalcino kan halen.
